
Ik werd op 29 december 1954 geboren op een zolderetage in Nijmegen. Mijn vader was postbode, mijn moeder huisvrouw. In feite had mijn vader twee banen. Overdag was hij postbode, 's avonds ging hij, zoals wij dat noemden, kelneren, werken in de horeca. Het was negen jaar na de Tweede Wereldoorlog en er heerste nog volop woningnood.
Toen ik vijf jaar was, verhuisden we naar een klein flatje in een nieuwbouwwijk in Nijmegen. De wijk verloederde en wij verhuisden naar een andere nieuwbouwwijk. Dit herhaalde zich nog een paar keer. Steeds als een wijk achteruit ging, besloten mijn ouders te verhuizen.
Mijn ouders gingen nooit naar het theater. Tot mijn dertiende was ik nooit in een theater geweest. Wij waren wel gek op toneel op televisie, kan ik me herinneren. Eens in de zoveel tijd waren er kluchten met Johan Kaart en dan zaten we ons op de bank voor de televisie te verkneukelen.
Vraag die ik me uiteraard wel eens heb gesteld: hoe kan het nou dat ik uiteindelijk theaterdirecteur ben geworden en nu voor een toneelgezelschap werk?
Ik kan deze vraag eigenijk precies beantwoorden. Het komt door de zolder van mijn opa en oma. Mijn opa en oma woonden op de Weurtseweg op de rand van het Waterkwartier, een onvervalste arbeidersbuurt. Ze huurden een bovenverdieping boven de kruidenierszaak van Jansen en ze hadden een enorm grote zolder.
Eens in de zoveel tijd werd die zolder een theater. Mijn moeder droeg er lange gedichten voor. Mijn tante trok achter een kamerscherm al haar kleren uit. Ik verheugde me als jongetje er zo op dat ze naakt van achter het kamerscherm te voorschijn zou komen. Maar als ze te voorschijn kwam, bleek ze toch nog gekleed, had ze andere kleren aan. Mijn ooms deden er toneelstukjes en zongen er liedjes. Ik was vijf, zes, zeven jaar en genoot van het lachen en het applaus. Daar, op die zolder, is het begonnen.
Op de foto bij dit blog zet ik zelf mijn eerste schreden op het toneelpad. De foto is gemaakt op de laatste dag van de basisschool, die toen nog lagere school werd genoemd. Een lagere school had, in tegenstelling tot een basisschool, geen acht groepen, maar zes klassen. Ik zat in de zesde klas en stond op het punt om naar de middelbare school te gaan.
Ter afscheid van de lagere school speelden we een zelf gemaakt toneelstukje. Later die dag hield ik mijn eerste speech, een afscheidspeech. Ik had hem keurig op twee klapperblaadjes uitgeschreven. De twee blaadjes liggen nog ergens in de vele dozen die op onze zolder staan.
Ik had de hoofdrol en speelde een ridder die een prinses kwam bevrijden. Ik ben van opzij te zien, ben de jongen met het zwaard. Mijn harnas was een van karton gemaakte schouderbescherming. Op het karton zat groen crêpepapier.
Op de achtergrond, de jongen met het strikje en de zwarte bril, staat de butler. De butler wordt gespeeld door Erik Groeneveld. In die tijd was hij mijn beste vriend, in de schuur achter zijn huis hield hij een tamme kauw. Momenteel schijnt hij een zeer toegewijde Jehova's Getuige te zijn. Voor het eerst proefde ik die dag zelf de spanning om op een toneel te staan en publiek te hebben.
Een of twee jaar later zat ik op de middelbare school en schreef ik met Jacques een toneelstuk, een klucht. Als ik het me goed herinner, luidde de titel Ambrosius. Met een aantal vrienden besloten we het stuk te gaan spelen. We repeteerden bij Hans Vissser thuis omdat zijn moeder ons regisseerde.
De maanden daarop maakten we met het stuk een tournee langs Nijmeegse bejaardenhuizen. Volgens mij traden we in totaal zo'n zes of zeven keer op. De klucht werkte, want er veel en hard gelachen.
Veel managers in de kunsten zijn gemankeerde kunstenaars. Bij mij is het eigenlijk niet anders. Van het een komt het ander. Weer een paar jaar later richtten we met dezelfde vriendengroep een cabaretgroep op. Je speelt. Maar om te kunnen spelen, moet je dingen organiseren. Ik was zeventien, achttien, negentien jaar toen het organiseren begon te overheersen. Daarna duurde het niet lang meer of ik was alleen nog maar aan het organiseren en stond ik zelf nooit meer op het toneel.
Tientallen jaren later constateer je dat je nog steeds aan het organiseren bent. Dat je je hele leven dingen hebt georganiseerd, in een theater, bij een gezelschap, dat je zelf een theater hebt gebouwd om er dingen te kunnen organiseren.
Het is dan mooi dat er oude foto's zijn die je terugbrengen naar de dag waarop je de smaak van het optreden, van het toneel te pakken kreeg. Door zo'n foto proef je nog een beetje de dag die vermoedelijk een groot deel van mijn leven bepaalde. De dag van het eerste optreden.

'Kijk, dat vind ik nou leuke autootjes,' zegt Bregtje als we van Rotterdam terug naar Tilburg rijden. En ze wijst op een Cooper, tegenwoordig gebouwd door BMW, vroeger door Austin.
Leuke autootjes. Ik weet er alles van. Mijn vader was vroeger een fanatiek motorrijder. In mijn vroegste jeugd verplaatste ons gezin zich per motor. Mijn vader zwoor bij een Honda. Mijn vader reed, mijn moeder zat achterop, ik zat middenin, met het gezicht naar mijn moeder.
Op een gegeven moment werd het te onpraktisch omdat ik te groot werd. Mijn vader overwoog nog even een motor met zijspan te kopen, maar dat vond hij te onsportief, te suf. De eerste auto die wij kochten was een Trabant. Maar uiteindelijk vond mijn vader de overgang van motor naar Trabant veel te groot. Na zes weken verkocht mijn vader de Trabant.
Na een Fiat 500 en een Simca kwam mijn vader uit bij de Austin Mini. In dat autootje vond hij pas een goede vervanging van de motor. De eenvoudige Mini werd na enige tijd vervangen door de Austin Mini Cooper en toen had mijn vader zijn bestemming helemaal gevonden. Het ding trok door de bochten als een motor, vond hij. De auto werd door mijn vader altijd liefdevol Coopertje genoemd.
We hadden zo'n mooi klassieke Cooper, met van dat Engelse groen en een wit dakje. Zo hoorde een Cooper te zijn, vonden mijn vader en ik. Samen met een vriend richtte hij zelfs de Nijmeegse Cooper Club op. Ik geloof dat er zo'n zes leden waren.
Op een gegeven moment ging de club racen op het circuit van Baarlo. Tussen het echte geweld van de autocross door, als een soort entreact, mochten zo'n twintig Coopertjes vechten om de eerste prijs. Ik vond het knap van mijn vader dat hij meedeed, want hij was als de dood dat er een kras op zijn auto kwam.
'Ik ga echt niet voluit,' zei hij voor de race, 'dadelijk gebeurt er een ongeluk. Ga je met me mee de auto in?' vroeg hij. Ik was apentrots. De tribune zat vol en daar reed ik met mijn vader het ene na het andere rondje. Mijn vader reed best wel hard. Ik geloofd dat we op een gegeven moment zelfs vierde lagen. Iedereen keek naar ons.
Op een gegeven moment werd de race stil gelegd. Men kwam erachter dat er een kind in de auto zat en dat vond de organisatie veel te gevaarlijk. 'Stap maar uit,' zei mijn vader. En in het front van de tribune rende ik naar mijn moeder die ergens middenin het publiek zat.
Gelukkig is er nog een foto van de Cooper en mij. Ik poseer tegen de open deur. Wat is het toch mooi dat je tegenwoordig foto's kunt digitaliseren. Hierdoor kan ik de foto vergroten en hem beter bekijken. Ik kijk vrij serieus op de foto, maar op de vergroting zie ik dat in de auto mijn moeder zit te lachen. Als de foto klein is, kun je dat niet zien.
Er staan een paar bijzondere dingen op de foto. Op de allereerste plaats dat strikje. Ik geloof dat mijn moeder daar schuldig aan is. Die vond het prachtig als ik zo'n ding droeg. Was dat mode toen? Volgens mij niet. Volgens mij was het een tik van mijn moeder. Die vond zo'n ding wel deftig staan.
Ander bijzonder detail zijn mijn benen. Wat een lieve staakjes, hoe onschuldig nog. Leuk ook dat korte broekje. Ik moet een lief ventje zijn geweest. De benen zijn wel het bewijs dat ik nog heel lang een tamelijk leptosoom type ben geweest. De grote transitie vond pas rond mijn dertigste plaats. Niet alleen de buik groeide, alles werd groter aan mij. Van een ranke jongeman werd ik een geproportioneerde man van middelbare leeftijd. Helemaal niemand meer die in mij de jongen herkende die tegen de autodeur staat geposeerd.
Hoe zou het zijn gegaan?
'Wacht,' zei mijn vader, net voordat we naar mijn opa en oma wilde rijden, 'ik zal een foto van jullie maken.' Mijn vader haalde zijn Agfa Clack te voorschijn.
'Gerardje, ga even voor de auto staan.' Ik geloof niet dat ik er heel erg veel zin in had. Zo te zien poseerde ik nogal verplicht.
'Ja, staat er goed op,' zei mijn vader en borg zijn Afga Clack op.
Hij liep naar de auto en stapte in. Ondertussen stapte mijn moeder uit. Trok de leuning van de voorstoel naar voren zodat ik achterin kon gaan zitten. We hadden namelijk een 3-deurs genomen, geen 4-deurs, scheelde toch weer een paar honderd gulden.
Toen we wegreden, staken mijn vader en moeder vermoedelijk een sigaret op. Ik had daar een ontzettende hekel aan. Maar een groot deel van mijn jeugd heb ik doorgebracht in de sigarettenrook van mijn vader en moeder. Het merk: Caballero. Ik heb dan ook nooit van mijn leven één sigaret opgestoken.

Mijn schoonmoeder zegt altijd dat ik mijn blogs niet te lang moet maken. Dat vindt ze niet prettig, dan leest zo'n blog niet meer lekker. Ik antwoord haar dan altijd dat ik niet in formats denk, dat ik schijt aan de lezer heb. Maar dat is natuurlijk niet waar. Als ik een blog de zevenhonderd woorden zie naderen, dan word ik toch enigszins zenuwachtig en dan denk ik aan mijn schoonmoeder.
Vandaar dat ik gisteren ben gestopt met mijn blog over de foto met de Austin Mini Cooper. Dat was jammer, want ik had graag nog even willen doorschrijven. Ik heb het namelijk alleen over de voorgrond gehad en er is ook nog een achtergrond. En die achtergrond vind ik minstens zo interessant.
De foto is genomen op de Couwenbergstraat in Hatert. Wij woonden op de hoek Nijenrodestraat, Couwenberghstraat. Toen de foto werd gemaakt, woonden wij er nog niet zo lang, zie ik. De bouwplaats die op de achtergrond is te zien, is na enige tijd verdwenen. Wij waren namelijk een van de eerste bewoners van het nieuwe gedeelte in Hatert. Deze wijk in Nijmegen was volop in aanbouw toen wij er kwamen wonen.
Die bouw zorgde ervoor dat ik een mooie jeugd heb gehad. Wij struinden namelijk door de huizen in aanbouw, speelden er oorlogje en verborgen ons in de onaffe huizen.
De bulldozer die op de bouwplaats is te zien, was van Max. Max was een rijzige, joviale man. Ik mocht altijd met hem mee in de bulldozer rijden. Samen met hem heb ik menig stukje grond geëgaliseerd. Ik vond het machtig om naast hem te zitten. Het dreunen van de motor. De kracht van het apparaat. De macht van de grijper.
Mijn vader en moeder raakten bevriend met Max die midden in de bossen van Groesbeek woonde. Ik zou het huis nog zo kunnen vinden. Het zou me niet verbazen als mijn moeder verliefd op Max is geweest. Ik heb het haar nooit gevraagd, ik heb er geen enkele concrete aanwijzing voor, maar ik voelde altijd een soort spanning tussen hem en mijn moeder. Ik heb daar een tamelijk gevoelige antenne voor.
Op het bouwterreintje heb ik nog een onthutsende ervaring gehad. Op een gegeven moment slachtte daar iemand een kip. De kip werd met zijn kop op een houten blok gelegd. Een bijl scheidde de kop van het lijf. De man die de bijl hanteerde, zette de kip op de grond. Tot mijn grote verbazing zette de kip zonder kop het op een lopen. Hij liep best nog wel een eind en viel toen, hopeloos verloren, op de grond. Wie die man is geweest, kan ik me niet meer herinneren.
Later verdween het bouwterrein. Er bleven nog wel een heleboel zandhopen liggen. Dat werd ons oorlogsterrein. Op het terrein bestookten bendes elkaar met zandkluiten, vochten we oorlogen uit. In de kuilen tussen de zandhopen stookten we vuurtje en poften we aardappels. Ik heb het een voorrecht gevonden om in mijn jeugd als wilde te kunnen leven.
Op een gegeven moment werden er nieuwe zandhopen gestort. Het duurde niet lang of op het schoolplein liepen kinderen met schedels en botten te zwaaien. Het bleek dat de resten van een kerkhof op ons veldje waren gestort. Je hoefde maar even te graven of er verscheen een stukje menselijk overschot.
Na een tijdje verdwenen de zandhopen en werd het veldje langs de Couwenbergstraat ons voetbalveld. Op de foto ben ik nog te zien met dunne beentjes, ontroerende staakjes, vind ik zelf. Een paar jaar later hadden die staakjes kuiten en andere spieren. Ik werd namelijk een fanatiek voetballer. Een profvoetballer bijna, want ik deed niets anders dan voetballen. Ik was bezeten van het spel. Ooit schreef ik over het veldje aan de Couwenbergstraat, het voetbal en mijn moeder het volgende gedicht dat ik op haar begrafenis voorlas.
Moeder
Zojuist was duidelijk geworden dat ik
even briljant was als Johan Cruijff.
Ik passeerde een, twee, drie, vier man
gaf een poeier, keihard op de slof.
De doelman stond machteloos.
Gerard, Gerard!
Bij het tuinhek stond mijn moeder.
Eten! Eten!
Eten? Nog even.
Nee, nu komen, het eten is nu klaar.
Mijn moeder leek op Marilyn Monroe met zwart haar.
Dat was mij al eens eerder opgevallen, een paar weken geleden.
Morgen weer, zeiden we tegen elkaar en ik liep naar huis.
Thuis maakten mijn moeder en ik grappen. Grappen over…
Over? We maakten zoveel grappen. Grappen over alles.
Ik wist toen nog niet dat mijn moeder later, veel later
mijn naam zou gaan vergeten. Dat mijn moeder zou gaan
denken dat ik haar man was. Dat ze niet meer alleen naar de wc kon
en dat ze niet meer wist hoe ze door een telefoon moest praten.
Mijn moeder leek toen al lang niet meer op Marilyn Monroe.

Stel dat je geen jeugdfoto's zou hebben. Ik denk dat je leven dan veel kaler zou zijn. Foto's maken je leven ook langer, rijker. Zonder foto's zou je afhankelijk van je geheugen zijn, die gammele opslagplaats van data. Moet je niet aan denken.
Ik weet zeker dat ik nooit meer aan het moment zou denken dat ik poseerde tegen een deur van een Austin Mini Cooper ergens in de jaren zestig. Het moment zou weg zijn, verdwenen in de drab van de herinnering.
Gelukkig is deze foto er nog. Het is een foto die me terugbrengt in mijn jeugd. Er zijn zoveel elementen op de foto die me terugbrengen in de tijd. De foto brengt me zelfs terug in het landschap van mijn jeugd. Neem het asfalt
Ik ben een stadsjongen. Mijn natuurlijke habitat is de stad. Maar ik ben altijd in de gelukkige omstandigheid geweest dat het platteland, de natuur, nooit ver weg was. Neem de straat waar deze foto is gemaakt. De Couwenbergstraat.
Als de fotograaf naar rechts zou lopen, komt hij na zo'n honderdvijftig meter op een T-splitsing, bij de Malderburchstraat. Als hij de straat oversteekt, komt hij op een zandpad. Het is een ouderwets zandpad zoals er vroeger zoveel waren en nu veel minder. De fotograaf heeft dan Nijmegen verlaten en is op het grondgebied van Malden. Hij heeft tevens de stad verlaten. Voor hem ligt het platteland.
Als hij het zandpad oploopt, komt hij na honderd meter aan de rechterhand een boerderij tegen. Ik hielp vroeger vaak op die boerderij. Ik sleepte met strobalen en voederde de varkens. Ik zag daar hoe de beer de zeug neukte.
'Hé, jongen. Weet je wel wat ze daar aan het doen zijn?' vroeg een man die net als ik gefascineerd stond toe te kijken.
Ik knikte. Ik wist wel wat die beer aan het doen was. Hij deed hetzelfde als de hamsters die ik had. Toen de hamsters op elkaar kropen en heftig met hun achterlijf bewogen, zag mijn moeder haar kans schoon om me seksuele voorlichting te geven.
'Weet je wel dat dat verrekte lekker is,' zei de man.
Ja, dat wist ik ook, want met mijn nichtje deed ik ook wel eens zoiets wat daar op leek. De beer knorde en bromde en kwam hijgend klaar.
Als je de landweg uitliep en naar links ging, kwam je in een bos. Tussen de bomen, op een donkere plek, lag een ruïne. Omdat het een enge plek was, liepen we er heel vaak naar toe. Er lagen geheimzinnige stenen. Als je je daar mee insmeerde, gaf je licht. Als ik het me goed herinner waren het fosforstenen.
Op die plek voelde ik voor het eerst de borsten van Wilma mijn buurmeisje. Ze had al grote borsten, veel groter dan mijn nichtje. Op een dag, toen we weer eens bij de ruïne waren, moest ze poepen. Ze deed haar broek naar beneden en draaide een vette drol. Even later zaten er op die drol allemaal dikke bromvliegen, geen idee waar ze vandaan kwamen. Ik moest kokhalzen toen ik het zag.
Het asfalt op de foto doet me ook denken aan mijn buurjongetje Hennie. Hij en ik deden vaak wielerwedstrijden rond het veldje. Keihard draaide we rondjes rond het veld, dat zo'n honderdvijftig meter lang was en zo'n vijftig meter breed.
We trapten als gekken, reden ons in het zweet. We waren zo fanatiek dat Hennie op een dag een auto achter hem niet zag. Ik reed voorop, hoorde een knal en zag Hennie door de lucht vliegen.
Toen ik hem door de lucht zag vliegen, was ik er van overtuigd dat hij dood ging. Met een klap belandde hij op het asfalt, twintig meter verder dan de plek waar de foto met de Cooper is gemaakt. Hij had een gebroken been en lag weken thuis op bed.
Ik voelde me erg schuldig over het ongeluk. Als ik hem niet had uitgedaagd voor die wielerwedstrijd was er niets gebeurd. Met moeite kon mijn moeder me overtuigen dat dit soort dingen nu eenmaal gebeuren. 'Als je hem niet had uitgedaagd, was er misschien iets anders gebeurd,' zei ze. 'Toeval, het is allemaal toeval. Het toeval hebben we niet in de hand.'
De ene foto is nou eenmaal interessanter dan de andere foto. Op deze foto staan zoveel dingen die ik vergeten zou zijn als mijn vader de foto niet had genomen.
Vermoedelijk was het toeval dat mijn vader deze foto nam. Ik denk dat hij de Afga Clack meenam omdat hij ergens foto's van wilde maken. Wacht, dacht hij, laat ik even een foto van Gerardje met de Cooper maken. Wat een gelukkig toeval. Door deze foto ben ik in staat om nu terug naar vroeger te gaan. Door deze foto is mijn leven zeker rijker dan zonder de foto. Zonder foto's vindt al snel de kaalslag plaats.
Scherpschutter
Kids wint het van kinderen.
Target wint het van doel.
Output wint het van resultaat.
Chillen wint het van ontspannen.
Nou gaat sniper het godverdomme toch
ook nog niet winnen van scherpschutter.
Naar aanleiding van mijn vorige blog stuurt Yvonne mij onderstaande foto. Ze schrijft: 'Van driewieler naar tweewieler'. Grote verrassing, want deze foto heb ik nooit eerder gezien.
Helemaal links staat mijn vader. Achter mij staat, zoals altijd, mijn moeder. In het midden staat mijn oma. De man met de pijp is mijn opa en de charmante man recht is mijn oom Theo, met wie ik later vaak door de bossen wandelde. Links op de fiets –let op het strikje!- De Blogger en rechts op de fiets mijn nicht Yvonne. De foto is gemaakt in de keuken van mijn opa en oma op de Weurtseweg.
Ik kan me deze avond nog precies herinneren. Het is 5 december 1961 en Yvonne en ik kregen onze eerste fietsen. Ik kijk wat stoïcijns op deze foto, maar ik weet nog dat ik die avond opgewonden was. Ik had een fiets van de Goed Heiligman gekregen. Dat betekende dat ik in de nabije toekomst overal heen kon fietsen, waar ik maar wilde. Ik kon wereldreizen maken, mijn wereld was die avond opeens vele malen groter geworden.
Wij vierden die avond, zoals elk jaar, Sinterklaas met de hele familie. Wij zaten in een grote kring en naast de stoel van mijn opa lag een enorme stapel cadeautjes. Een voor een pakte mijn opa ze van de stapel. Hij las een naam voor en de gelukkige mocht het cadeautje uitpakken.
Gaandeweg de avond ontstond midden in de kring een enorme berg pakpapier en uit elkaar gescheurde dozen. Het was een berg waar je helemaal in kon kruipen. Op het einde van de avond, het was inmiddels laat en donker, verdween de berg in vuilniszakken en ging het mannelijk deel van de familie het papier verbranden op de dijk bij de Waalhaven. Ik genoot van het vuur, waar we met z'n allen omheen stonden, evenveel als van het uitpakken van de cadeautjes. Onze schaduwen sprongen groot over de dijk.
Die avond was er op de deur gebonkt. 'Zwarte Piet heeft nog meer cadeaus gebracht,' riep mijn tante toen ze ging kijken. Voor de deur stonden twee hoge, smalle kartonnen dozen. Het kon bijna niet anders of daar moesten fietsen in zitten. Als ik naar de hoogte keek, waren het misschien wel fietsen voor Yvonne en mij. Zo'n groot cadeau, ik kon het niet geloven.
Op de foto zit ik pontificaal op die fiets, maar op dat moment kon ik nog helemaal niet fietsen. Dat fietsen leerde ik pas de volgende dag van mijn vader op de Weurtseweg. Mijn vader hield de fiets in evenwicht door het zadel vast te houden.
Ik probeerde mijn evenwicht te houden terwijl ik de eerste meters in mijn bestaan fietste. Hij hoefde niet lang het zadel vast te houden, kan ik mij herinneren. Na vijf minuten oefenen had ik de slag te pakken en fietste ik, in wankel evenwicht, geheel zelfstandig over de stoep van de Weurtseweg. Ik was apetrots en wist dat dit een grote stap was. De tijd van de geborgenheid was voorbij. Het avontuur kon beginnen. Zo voelde het.
Die fiets behoort tot de mooiste en grootste cadeaus die ik ooit heb gekregen. Hij was rood en wit en fietste heerlijk. Ik heb eerder over deze fiets geschreven onder de titel Fiets op de pagina Doos.
Dat meisje op de fiets is dus Yvonne. Vandaag, vijftig jaar later, heb ik haar aan de lijn en vertelt ze me dat haar jongste dochter nu ook de deur uit is. Afgelopen weekend hebben ze haar verhuisd naar Middelburg. Terwijl ik haar aan de lijn heb, klinken er zowel in Eindhoven als Tilburg enkele keiharde klappen. Onweer. We worden oud, denk ik als ik haar aan de lijn heb.


Eerlijk gezegd denk ik niet zo vaak aan mijn moeder. Eigenlijk denk ik in steken aan haar. Het landingsgestel van het vliegtuig raakt Nederlandse grond en je denkt: ah, ik kan me moeder bellen dat we weer thuis zijn. Meteen gevolgd door de gedachte dat dit niet meer kan. Dat ik haar nooit meer kan bellen.
Soms zou je willen wegkruipen in je eigen verleden, terugkruipen in de tijd. Als iemand daar ooit een apparaat voor uitvindt, zie je weinigen meer in het heden, denk ik. Ik zou me bijvoorbeeld heel veel koesteren in de huizen waar ik heb gewoond.
Het eerste huis waar ik heb gewoond, staat op de Broerdijk in Nijmegen. Misschien is het nummer 84, maar dat weet ik niet meer zeker. Ik heb er tot mijn vijfde gewoond, maar ik kan het nog precies beschrijven.
Je kwam de trap op. Links was de keuken, recht tegenover de trap was de woonkamer, rechts ging je naar de slaapkamer van mijn ouders. Nog meer rechts was een deel van de gang afgescheiden door een gordijn, een donkere hoek, waar ik liever niet kwam. Vermoedelijk sliep ik bij mijn ouders op de kamer, want ik heb geen enkel beeld van een eigen slaapkamer.
Ik heb het over een huis, maar in feite was het geen huis, het was een deel van een huis. Wij woonden boven op een zolder bij de familie van Bremen. Het was negen, tien jaar na de oorlog. Een van de grootste problemen van Nederland was de woningnood. Mijn vader was postbode en we hadden niet veel geld.
Ik kan me mijn moeder herinneren die huilde omdat ze niet rond kon komen van het geld. Toen woonden we niet meer op de Broerdijk, maar op de Larvenhof. Ik haalde mijn spaarvarken en gaf haar de zesendertig cent die ik had gespaard.
Oma van Bremen woonde een verdieping lager, was oud, zat vaak voor het raam waar een heleboel vrouwentongen op de vensterbank stonden. Er was ook een achterkamer. Die kamer was hun slaapkamer. Daar was het altijd donker. Vaag kan ik me herinneren dat opa van Bremen overleed. Ik zie hem ziek in die achterkamer liggen.
Het zijn herinneringen die bij me opkomen door de foto. Het is een beetje een rare foto vind ik zelf omdat ik zo duidelijk poseer. Mijn vader heeft me met fiets en al op de tafel gezet, hij heeft mijn pop ervoor gezet en met zijn Agfa Clack de foto gemaakt.
Je ziet dat ik verlegen ben. Tot mijn zevende was ik verschrikkelijk verlegen. Ik durfde nergens alleen heen te gaan. Tot mijn vijfde kroop ik onder de keukentafel als er visite kwam die ik niet kende. Tot mijn vijfde was ik altijd thuis.
Op een dag bracht mijn moeder mij naar de kleuterschool op de Hengstdalseweg. Ik huilde toen ze me erheen bracht. Toen ik er een uur was, rende ik terug naar huis. Al die kinderen, al die dingen die je er moest doen, zoals knutselen, ik vond het verschrikkelijk.
Mijn moeder heeft me dat jaar thuis gelaten. Dat vond ik heerlijk. Daarom heb ik maar één jaar op de kleuterschool gezeten. Daar heb ik ontzettend mee geboft. Gekscherend zeg ik vaak dat het ten koste is gegaan van de ontwikkeling van mijn kleine motoriek. Als dat werkelijk zo zou zijn, heb ik het er wel voor over.
Ik ben erg blij dat ik deze foto heb. De foto is een kleine hommage aan mijn driewieler. Die driewieler is een van de mooiste dingen die ik in mijn leven heb gehad, vermoed ik. Ik schijn altijd op dat fietsje te hebben gezeten. Ik speelde er eindeloos busje mee. In die tijd wilde ik heel graag buschauffeur worden, dus eigenlijk is het niet zo gek dat ik nu graag taxichauffeur wil worden. Toch een mooie consistentie in mijn leven dat ik altijd in het vervoer heb willen zitten. Voor vervoer heb je geen kleine motoriek nodig.
Het is grappig dat mijn vader en mijn moeder die pop tegen het voorwiel hebben gezet. Die pop heb ik nog heel lang gehad. Het gezicht van die pop was van een van de eerste plastics gemaakt. Het gezicht had een onnatuurlijk roze en bruine kleur en in de loop van de tijd is het gezicht vergaan.
Het plastic verging, het gezicht van de pop rotte langzaam weg. Je zou kunnen zeggen dat de pop stierf aan een soort kanker, plastickanker. Je zag het gezichtje droog worden, invallen en verkruimelen.
Wat ik erg leuk vind op deze foto, is de foto op muur achter mij. Mijn vader en moeder hadden dus een foto opgehangen waar ik met mijn beer opsta. Die beer heb ik nog steeds, de foto ook.
Wat zou het fantastisch zijn als ik kon terugkruipen in deze kamer en het jongetje op zijn driewieler door de kamer zou kunnen zien fietsen. En misschien zou ik mijn vader en moeder weer even kunnen zien en spreken.
De tijd verstrijkt. Het heden blijft achter. De tijd maakt het verleden tot een verhaal in je hoofd. Herinnering. Dat huis, die zolder waar wij jaren
leefden. Alles verdwijnt. Goed dat er foto's zijn, wrakhout dat je kunt
vasthouden opdat je niet helemaal verzuipt in de tijd.
Alleen al door deze foto's. Als ik het woord Kronenburgpark hoor, gaat er een wereld voor me open. Gisteren, toen we met de auto terug naar Den Bosch reden, was Frank Boeijen opeens op de radio met het nummerKronenburgpark.
Mijn opa en oma woonden op de Weurtseweg. Als je van hun huis naar de stad liep, kwam je langs het Kronenburgpark. Het park lag maar zo'n vijfhonderd meter van hun huis vandaan. Het kan niet anders of ze gingen met mij al in de kinderwagen de eendjes in het Kronenburgpark voeren. Ook toen ik zelf kon lopen, gingen we vaak de eendjes voeren.
Het park maakte altijd diepe indruk om me. Het Kronenburgpark associeerde ik met luxe, met rijkdom. De brede paden, de grote fontein, de waterval, het hertenkamp, de vogels in de volière. Het moest wel de tuin van een koning of prins zijn geweest. Nu mochten wij er lopen.
In het Kronenburgpark zijn de eerste foto's van me gemaakt. Dat leuke, blonde jongetje –ik zeg het er maar bij- ben ik. Zoveel onschuld, dat is toch vertederend. Die onschuld wordt nog eens benadrukt door het pofbroekje.
Wie heeft er ooit in een pofbroekje gelopen? Het is vermoedelijk niet voor niets dat het pofbroekje nooit meer in de mode is geraakt. Uitgerekend in de tijd dat ik een peuter was, was de pofbroek even kek. Daarvoor was de pofbroek nog nooit gesignaleerd, daarna verdween hij voorgoed.
Na mijn kleutertijd kwam ik nooit meer in het Kronenburgpark. Op de basisschool heb je niks meer in parken te zoeken. Eendjes voeren is een dan een erg kinderachtige bezigheid.
Het Kronenburgpark duikt weer in mijn leven op als ik in de pubertijd zit. Wij waren hippies (dachten we), hadden lak aan alles –en dan kom je alweer snel in een park terecht. Wij hingen op het gras en deden niets. Zo nu en dan pakte iemand een gitaar en zong een nummer van de elpee Woodstock.
Jaren later, toen ik bij het Stedelijk Cultureel Overleg werkte, heb ik nog eens meegedaan aan een viswedstrijd in het Kronenburgpark, uitgeschreven door De Gelderlander. Ik kreeg voorzichtig de status van Redelijk Bekende Nijmegenaar en werd voor de wedstrijd uitgenodigd. Ik ving niets.
Daarna ben ik een hele tijd niet meer in het Kronenburgpark geweest. Ik verhuisde naar Groningen, naar Leeuwarden, kwam vaak maanden niet meer in Nijmegen. Vooral omdat mijn moeder voor de liefde naar Hoogezand verhuisde.
Maar opeens, het is eind jaren tachtig, is het Kronenburg weer volop in mijn leven aanwezig. Mijn tweede vader sterft ook en mijn moeder verhuist terug naar Nijmegen. Ze gaat in een flat op de Veemarkt wonen, een plein naast het Kronenburgpark.
En het grappige is dat de geschiedenis zich herhaalt. Opnieuw ga ik de eendjes voeren, maar dan als vader. Anne en Esmee genieten net zo van het park zoals ik dat lang geleden heb gedaan. Opnieuw worden er kinderfoto's geschoten, daarvoor is het Kronenburgpark een ideale plek. Zouden Anne en Esmee ook zo'n gevoel van luxe en rijkdom hebben gevoeld als we door het park wandelden? Toch eens vragen.
Altijd was er door de jaren heen het nummer van Frank Boeijen. Ik hoorde het natuurlijk op de meest onverwachte momenten, meestal in de auto. Altijd als ik het hoor, krijg ik een nostalgisch gevoel en ben ik blij dat ik een Nijmegenaar ben. Al begrijp ik het verband niet helemaal. Toen ik het nummer gisteren hoorde, wist ik meteen dat ik dit blog ging schrijven. Vanmorgen zocht ik het nummer op Youtube.
Het leverde een grote verrassing voor me op. Het stomme is dat ik het nummer altijd heb geassocieerd met de dingen die ik zojuist heb beschreven. Het mooie Nijmegen-gevoel, het gevoel van mijn jeugd. Maar wat blijkt: het nummer van Frank is eigenlijk een heel somber nummer, het nummer gaat over een tippelaarster en speelt zich in de donkere nacht af. Niks geen eendjes voeren.
Het is goed mogelijk dat Frank en ik samen in de pubertijd wel eens in het Kronenburgpark hebben gezeten. We kenden elkaar redelijk goed, kwamen op dezelfde plekken, hielden van dezelfde muziek.
Ik heb zelfs de eerste optredens van de Frank Boeijen Groep meegemaakt. Ik had toen minder contact met Frank, maar in de band speelde Ger Hoeijmakers, een studiegenoot, en wij volgden hem op de voet.
Het probleem met Frank is altijd geweest dat ik hem bijna niet verstond. Hij heeft een mooie, hese stem, maar ik verstond altijd alleen maar de belangrijkste woorden. Hele stukken tekst ontgingen me.
Ik ben blij dat ik er nu eens goed in ben gedoken. Het Kronenburgpark blijft altijd het Kronenburgpark voor me, maar naar het lied van Frank zal ik voortaan anders luisteren. Overigens niet gek dat in zijn lied een hoertje de hoofdrol speelt, want het stikte in het Kronenburgpark altijd van de tippelaarsters en de junks. Maar als we de eendjes voerden, vielen die me nooit op.




In de kast op onze studeerkamer staan een stuk of vier rode dozen, gekocht bij Ikea. De vier dozen zitten vol met foto's. In een van die dozen zitten mijn jeugdfoto's. Om preciezer te zijn: ze zitten in een fotoalbum die ik op 29 december 1963 van mijn nichtje Yvonne kreeg, het staat allemaal keurig genoteerd op het eerste blad van het album.
Als ik het album pak, gaat er een oude wereld voor me open, een wereld die ik lief heb. Wat is het toch fijn dat een mens herinneringen heeft. Je moet er niet aan denken dat je zonder zou moeten doen. Bijkomend voordeel: als ik blader, heb ik meteen een nieuw blog.
Dit keer valt mijn oog op de foto hierboven. Op zich kan ik weinig over de foto zeggen. Je kunt zien dat ik altijd een vrolijk mens ben geweest. Ik vind zelf dat ik een vrolijke open uitstraling heb. Al zit er rond dat mondje wat terughoudendheid. Je kunt ook zien dat mijn moeder mij goed kleedde, dat broekje en dat truitje, ik geloof best dat die in 1955 kek waren.
Verder kun je opmerken dat ik nu weer evenveel haar heb als ik toen had. Vermoedelijk heeft dit alles met het begrip regressie te maken. Over de plek waar de foto is gemaakt, kan ik eigenlijk niks zeggen, die is zo neutraal. Geen idee waar de foto is gemaakt. Het kan best dat die bij een fotograaf is gemaakt.
Mijn oog viel op de foto door één ding. Op de foto staat namelijk het ding dat ik het langste in mijn bezit heb: Beer. De beer die daar zo achteloos op zijn buik ligt, heb ik nog steeds. Hij staat nu al jaren naast de jeugdbeer van Wyb en de jeugdbeer van Esmee.
Alleen de beer van Esmee heeft een naam. Hij heet Poppel en is de meest gehavende beer. Esmee heeft hem dan ook zeer intensief gebruikt. Esmee had de gewoonte om te duimen. Terwijl ze duimde, aaide ze met haar vinger over het oor van Poppel. Zijn oor is daardoor helemaal weg geaaid.
Een paar jaar geleden zei ik tegen Esmee dat ze Poppel mee moest nemen, maar dat wilde ze niet. Ze vond dat Poppel bij mij moest blijven, volgens mij omdat ze bang was dat ze er zelf niet zorgvuldig genoeg mee om zou gaan en hem misschien kwijt zou raken. In een van de boekenschappen op de studeerkamer hebben de beren nu hun domicilie. Met z'n drieën zitten ze daar dag in dag uit zeer tevreden gepensioneerd te zijn.
Ik zelf heb drie knuffels gehad. De allereerste was een plastic lammetje. Het lammetje was geel en had blauwe ogen. Als je op hem drukte, begon hij te piepen. In de loop van de jaren begaven de weekmakers het in het plastic. Het lammetje verging voor me ogen. Er vielen zelfs gaten in het lammetje. Plastickanker, noemde ik dat. Op een gegeven moment waren er alleen nog kruimels van het lammetje over.
Mijn tweede knuffel was deze beer, mijn trouwe kameraad, hij houdt zich prima. Het is een wat harde beer, maar zo nu en dan kijk ik graag naar hem en dan denk ik: we houden het toch mooi samen een tijdje uit.
Mijn derde knuffel leverde een trauma op. Het was een aap die Monkey heette. Mijn opa had hem meegenomen van een van zijn vele reizen naar Canada, waar zijn oudste zoon woonde, ome Jo.
Monkey was mijn alles. Wij waren onafscheidelijk. Toen ik vier, vijf jaar was, gebeurde er echter iets verschrikkelijks. Ik ging met mijn vader en moeder op de moter naar de Vierdaagse kijken in Wychen. Op een terras zagen we de wandelaars voorbij marcheren. Natuurlijk had ik Monkey bij me, want Monkey en ik waren altijd bij elkaar.
Op een gegeven momen hadden we genoeg van die Vierdaagse en stapten we op de moter. Halverwege Wychen en Nijmegen kwamen we erachter dat we Monkey waren vergeten, dat hij vermoedelijk nog steeds op het terras zat. Mijn vader, die goed kon scheuren op die motor, draaide meteen om. Hij gaf vol gas, maar het mocht niet baten. Monkey was verdwenen.
Mijn moeder hield heel lang vol dat Monkey vermoedelijk mee was gegaan met de Canadese soldaten omdat hij heimwee had naar Canada. Maar daar geloofde ik niets van. Monkey en ik hielden van elkaar en ik weet zeker dat dit wederzijds was. Voor mij stond vast dat Monkey was gekidnapt. Dit leverde mijn eerste trauma op, mijn eerste rouwproces.
Natuurlijk was er Beer, maar die was van geheel andere orde. Beer werd pas op latere leeftijd belangrijk voor me. Hij is het enige tastbare overblijfsel van mijn vroegste jeugd. Ode aan Beer.
Beer nu.

Sommige dingen zijn zoals ze horen. Sommige dingen zijn geluk. Deze foto, bijvoorbeeld, is zoals het leven eigenlijk hoort te zijn.
Op de foto staan mijn vader en moeder met drie koeien. Deze foto heb ik mijn leven al tientallen keren gezien en elke keer realiseer ik me dat alles op deze foto Goed is.
Mijn vader en moeder zijn op deze foto echt gelukkig. Dat kun je zien aan hun gezichten. Maar dat weet ik ook omdat ik weet dat mijn vader en moeder gek op elkaar waren. Ze hielden oprecht van elkaar en volgens mij waren ze in hun jeugd zelfs gepassioneerd gek op elkaar.
Later werd alles anders. Mijn vader was een moeilijke man. Nog later kreeg hij kanker. Dat neemt niet weg dat ze van elkaar hielden, daar ben ik van overtuigd. Mijn moeder is, hoe ernstig en vervelend de ziekte van mijn vader ook was, altijd van hem blijven houden. Mijn vader kon zeker niet zonder mijn moeder.
Maar van al de zorgen die nog zouden komen, is op deze foto niets te merken. Deze foto vertegenwoordigt het paradijs, denk ik. Het paradijs voor mensen die van elkaar houden.
Ook de vorm van deze foto is Goed. Mijn vader en moeder staan op de juiste plaats op de foto, ze houden elkaar op de juiste manier vast. De koeien staan helemaal Goed dezelfde kant op en verhouden zich perfect tot de horizon. Mooi hoe de bek van de achterste koe leunt op de horizon. Goed hoe de voorste koe nieuwsgierig naar mijn vader en moeder opkijkt.
Toch vertegenwoordigt deze foto ook iets anders voor me. Jaloezie. Gisteren schreef ik in mijn blog hoe opeens de ongerustheid in mijn lijf kan opsteken. Er is nog iets wat zo maar een storm in mijn lichaam kan veroorzaken: jaloezie.
Ik ben verschrikkelijk jaloers. Het is een slechte eigenschap, een lelijke eigenschap, maar ik ben ermee geboren, het zit diep in me. Het kan er zomaar opeens zijn: een woedende jaloezie.
Ik heb die jaloezie misschien wel voor het eerst ontdekt door deze foto. Een gelukkige man en vrouw, mijn vader en moeder, een paradijselijke omgeving –en ik was er niet bij.
Later heeft mijn moeder mij verteld hoe ik, toen klein was, op deze foto reageerde.
'Waarom sta ik niet op de foto?' schijn ik te hebben gezegd.
'Je was toen nog niet eens geboren.'
'Ik vind het niet leuk dat ik niet op de foto sta en jullie wel.'
'Maar je was er nog niet eens. We konden niet eens een foto van je maken.'
Er was dus een leven voor mijn leven geweest. Er is dus een leven na mijn leven. Een onthutsende inzicht. Jaloersmakend. Want eigenlijk wil ik natuurlijk overal bij zijn.
De jaloezie speelt in mijn leven een grote rol. Ik probeer het te onderdrukken, maar het lukt me niet. Ik ben helemaal niet jaloers op materiële zaken of succes van anderen, maar als iemand te veel aandacht voor Wyb heeft, bijvoorbeeld, ben ik meteen op mijn qui-vive. Die qui-vive kan ontaarden in woede, weet ik.
Maar ik moet het geluk dat van deze foto afstraalt niet laten bezoedelen door jaloezie. Jaloezie bezoedelt al te vaak. Laat ik mij concentreren op de foto, want nu, 52 jaar ouder, vind ik het een uniek document, een foto die mij lief is. Goed beschouwd is de foto het bewijs van de liefde tussen mijn ouders.
Bij de foto heb ik ook altijd de gedachte dat hij in de uiterwaarden van de Waal is gemaakt. Dat kan bijna niet anders. Mijn vader en moeder wandelden vast langs de Waal, want dat gebeurt vaak in Nijmegen. Zeker als je de Waalbrug oversteekt naar Lent. Daar sta je al meteen tussen de koeien.
Ode aan Nijmegen. Ode aan de Waal. Ode ook aan de zomer. Nijmegen, Waal, zomer, jeugd en liefde. Je telt het op en je hebt het woord geluk.
Maar er is ook het stomme besef dat het leven van de mensen op deze foto voorbij is. Het leven van mijn vader en moeder.
Maar ik ben zo benieuwd naar wie mijn vader en moeder keken. Wie zou de foto hebben gemaakt? Wie was wel bij dit geluk aanwezig?



Powered by Maakum Websites